De kerkvader Athanasius (295 –373) is onder ons bepaald geen onbekende. Ook wie slechts oppervlakkige kennis heeft van de kerkgeschiedenis weet toch hoe Athanasius tegenover Arius de goddelijke natuur van Christus heeft verdedigd. Verder is zijn naam bekend door de zogenaamde – maar ten onrechte aan hem toegeschreven- ‘belijdenis van Athanasius’. Hoe dacht deze vermaarde Alexandrijnse theoloog over de verhouding tussen Israël en de Kerk?
Voor het antwoord op die vraag kunnen we goed terecht in het vorig jaar verschenen proefschrift van de hand van de Puttense hervormde predikant P.F.Bouter. De titel van dit boek geeft duidelijk het onderwerp aan: Athanasius van Alexandrië en zijn uitleg van de Psalmen. Een onderzoek naar de hermeneutiek en theologie van een psalmverklaring uit de vroege kerk (uitg. Boekencentrum – Zoetermeer, 2001). Dr. Bouter stuitte indertijd kort voor het afsluiten van zijn doctoraalstudie onverwacht op een vrij onbekend exegetisch werk van de bekende kerkvader Athanasius van Alexandrië, de Expositiones in Psalmos. Dit gaf voor hem de stoot tot een promotieonderzoek waarin de verklaring van de Psalmen zoals deze door Athanasius is gegeven, centraal staat. In verschillende recensies is met waardering over deze dissertatie geschreven, toch zijn er ook kritische noten geplaatst. Op dat laatste kom ik verderop in dit artikel terug.
Het is nu echter in de eerste plaats mijn bedoeling dr.Bouter zo goed mogelijk te verstaan en weer te geven en wel met name op het aangelegen punt van de verhouding tussen Israël en de Kerk[1]. Vervolgens wil ik hem daarover een aantal kritische vragen stellen. Uiteraard biedt de dissertatie nog veel meer interessante gezichtspunten, maar die laat ik nu terzijde. Ik richt mij in onderstaande samenvattende weergave met name op hoofdstuk 5 van het boek, ‘Theologische hoofdlijnen’, alsook op hoofdstuk 6, ‘Samenvatting en evaluatie’. De getallen tussen haakjes verwijzen naar de betreffende pagina’s uit het boek.
Visie van Athanasius op Israël
Bouter geeft aan dat Athanasius telkens wanneer in de Psalmen wordt gesproken van ‘Sion’ of van ‘Jeruzalem’ hierin een typologische verwijzing ziet naar de plaats waar het nieuwe volk van God woont: de Kerk (281). Zoals in het O.T. God temidden van Zijn volk in Jeruzalem woonde, zo is de Kerk nu de plaats waar Hij woont temidden van Zijn volk. De Kerk is de plaats waar God en Zijn volk elkaar vinden en met elkaar verenigd zijn. Hierbij kent ‘Sion’ twee locaties: de Kerk op aarde die de gelovigen van alle plaatsen omvat en vervolgens de hemel met de engelen en de reeds gestorven gelovigen. “Dus Jeruzalem ten tijde van het O.T. staat typologisch voor de ene Kerk die in twee afdelingen zich op aarde en in de hemel bevindt” (t.a.p.). Voor Athanasius was het volk Israël tot aan de komst van Christus ver verheven boven alle andere volken van de wereld. Deze erepositie was gelegen in haar door God (en dus ook door Christus) gegeven godsdienst: haar tempeldienst, wetgeving, profeten, hogepriesters, wetsleraren en engelenverschijningen. Als bijzondere vrucht van de Mozaïsche dienst bezat Israël ware kennis van God. Deze kennis van God was de eer van Israël, waardoor het verre uitstak boven alle andere volkeren van de wereld. Daarnaast deed God bijzondere wonderwerken in Israël. Christus heeft het volk uit Egypte geleid en Hij heeft het door de woestijn naar het beloofde land gebracht. Omdat Christus zich niet onbetuigd heeft gelaten in de geschiedenis van Israël en door de gelovige Joden ook gekend werd, is niet de openbaring, maar de menswording van de Zoon het beslissende onderscheid tussen het O.T. en het N.T.
Het positieve beeld dat Athanasius van Israël schetst, verandert geheel wanneer hij schrijft over Israëls afwijzing en verwerping van de mens geworden Zoon van God. De verwerping van de Christus wordt vooral als een daad van het Joodse volk in haar geheel gezien. “Dit leidt ertoe dat de verwerping van Christus een beslissend moment wordt in de positie van het volk als geheel. God liet Zijn volk als eerste het heil aanbieden, maar zij – als collectivum – hebben het verworpen”(291). Opmerkelijk hierbij is dat Athanasius de Romeinen geen schuldige medewerking toedicht aan de kruisiging van Christus. Ze fungeren slechts als achtergrondfiguren die feitelijk buiten het eigenlijke gebeuren staan. Israël is collectief verantwoordelijk voor en schuldig aan de dood van Christus. Deze toeschrijving van de kruisiging aan Israël onder vrijwaring van de Romeinen, is wel gezien als een politieke daad van de kerkvaders. Zij zouden op die manier de verhouding met het Romeinse rijk willen verbeteren. Hierover schrijft Bouter: “Daar moet echter tegen in gebracht worden dat deze positie van de kerkvaders niet meer is dan commentaar op en uitleg van de beschrijving van de kruisiging in de vier Evangeliën”(292). Ik kom op deze opmerking in kritische zin terug.
Hier komt voor Athanasius nog de volgende overweging bij: Israël was als enige in de wereld het volk van God. Tot hen was de Logos, het eeuwige Woord, gekomen om middels de menswording in haar midden te vertoeven. In deze omgang van God met Israël telden de Romeinen en ook Pilatus geheel niet mee. “Ook de toerekening van de kruisiging aan Israël heeft te maken met de bijzondere en eervolle plaats die Athanasius aan Israël toekent in haar relatie met God” (292). Door de Verlosser af te wijzen heeft Israël het aangrijpendste gebeuren uit haar historie over zich opgeroepen: zij is door God verworpen. Athanasius brengt deze verwerping veelvuldig naar voren omdat dit voor hem een gewichtig onderdeel is van de oikonomia, het heilsplan van God. De verwerping werd bezegeld door de verwoesting van Jeruzalem en haar tempel door de Romeinen in het jaar 70. De kern van de straf is echter nog niet eens deze verwoesting en de daarop volgende diaspora, maar het verlies van het contact tussen God en het volk. ”Israël is geestelijk geworden als een afgezaagde tak, die nu op de grond ligt te verdorren. Het leven is eruit. Als gevolg van die verwerping is Israël niet op neutraal terrein terecht gekomen. Nee, de verwerping uit de ereplaats van het leven met God heeft haar onder de macht van de demonen gebracht. Terwijl omgekeerd de volkeren middels de roeping van het Evangelie juist uit de macht van de demonen zijn gehaald.”(293). Er is voor Athanasius geen sprake van een voortleven van een oudtestamentisch Israël als volk van God naast de Kerk.
”Door haar afwijzing van Christus is zij eerst de oudtestamentische voorrechten kwijtgeraakt en vervolgens een prooi geworden van de demonen” (293). Verwerping van Christus door Israël en verwerping van Israël door God daarna vormen samen een scharnier in de gang van het koninkrijk van God. Immers, vanuit deze dubbele verwerping is de roeping van de volkeren ingegaan. Omdat Israël haar ereplaats heeft verloren, spreekt Athanasius over haar als ‘het oude volk van God’ en over de Kerk als ‘het nieuwe volk van God’. Met dat oude volk heeft God de band nu doorgesneden. In plaats van haar heeft God uit mensen uit alle volkeren een nieuw volk gevormd en dat heet de Kerk. Tot deze Kerk behoren overigens ook wel enige tot Christus bekeerde Joden als een ‘rest’.
Bouter verwoordt het als volgt: “Athanasius leert dus een vervangingsgedachte, maar dan niet individueel gedacht, maar collectief. Het volk Israël als geheel is vervangen door de volkeren als geheel. Maar in dat collectief kunnen individuele leden van de ander opgenomen zijn. Eerst heidenen in Israël, nu Joden in de Kerk der volkeren” (294).
Deze oneervolle situatie van het Joodse volk als geheel zal in het einde der tijden volgens de kerkvader geen wijziging meer ondergaan. Hij spreekt nergens over een terugkeer naar het land of een herbouw van de tempel of een herstel van het volk in haar oudtestamentische situatie als volk van God. Sinds haar verwerping is zij teruggezonken tot het niveau van een gewoon volk, “ja, nog daaronder omdat zij vanwege de afwijzing van de Zoon van God onder Gods straf en toorn is terecht gekomen.” (295).
Vervanging en toch…
Dan treedt er onverwachts een wending op in de gedachtegang van de Alexandrijn. Hij brengt de verwachting naar voren dat zich bij de parousia, de wederkomst van Christus, een volksbekering van de Joden tot Christus zal voltrekken. Bij de uitleg van Psalm 39 blijkt dat Athanasius naast de gedurige mogelijkheid van individuele bekeringen van Israëlieten ook een eschatologische bekering verwacht van Israël als volk. Het volk zal dan als collectivum alsnog tot het inzicht komen dat ze zich in hun verwerping van Christus aan God bezondigd hebben. Door deze geestelijke ommekeer in hun verhouding tot Christus gaat alsnog de deur open naar een heilvolle toekomst. Op dezelfde wijze spreekt de kerkvader ook bij de uitleg van Psalm 41. Door hun bekering in de eindtijd zullen de Joden toetreden tot ‘de andere heiligen’, de christenen verenigd in de Kerk. Bij Psalm 59 wordt opgemerkt dat de Israëlieten die vanwege hun misdaden uit Gods woning zijn gestoten, bij hun bekering begeren terug te keren in die woning: ‘Wie zal mij voeren in die bevestigde stad?’ (vers 11). Israël zal als volk in het laatste der dagen het heil ontvangen middels de collectieve toetreding tot de Kerk.
Bij Psalm 79 wordt gesteld dat het oude verbondsvolk als het zich bekeert alsnog de naam
‘christenen’ zal gaan dragen. “Athanasius ziet dus ook in de eschatologische bekering van Israël geen aparte, eigenstandige weg voor dat volk weggelegd. Haar enige redding is toe te treden tot Christus en de Kerk. Dat geldt voor elke Israëliet als individu, maar ook voor het volk als geheel”(297).
Op deze wijze geeft Athanasius aan Israël in haar eschatologische bekering een substantiële plaats in zijn denken. In zijn visie zal de wereldgeschiedenis zich afsluiten met een overvloedig betoon van Gods genade en ontferming, waarin de ene Kerk uit alle volkeren inclusief Israël door Christus de toegang ontvangt tot de eeuwige woningen in de hemel (299). De positie van Israël in de geschiedenis wordt door Athanasius consequent geestelijk beoordeeld vanuit haar verhouding tot Christus.”Israël is niet een in zichzelf bijzonder volk dat de gedurige rode draad vormt van het heilsplan, maar Christus vormt vanaf het begin tot het eind het middelpunt en de rode draad van Gods heilsplan…Christus heeft niet zozeer een plaats binnen Gods omgang met Israël, maar Israël heeft een tijdlang een bijzondere plaats gehad binnen Gods verlossingswerk in Christus jegens de wereld.”(299). Los van Christus kan er geen volk van God gedacht worden. Athanasius wilde de christenen van zijn tijd deze waarheid heel scherp inprenten, “opdat ze niet door een verkeerde bewondering voor het oude volk aan de positie van Christus tekort zouden doen en daarmee aan de kant van de Arianen terecht zouden komen”(301).
Contextueel
Terecht wijst Bouter erop dat we het accent dat in de Expositiones in Psalmos op de verwerping van Christus door de Joden wordt gelegd, niet mogen losmaken van de context van die tijd. Athanasius neemt het de Joden met name kwalijk dat ze Christus niet als de Zoon van God hebben willen erkennen. Dat staat uiteraard niet los van zijn frontpositie ten opzichte van de Arianen, die, zoals bekend, eveneens de goddelijke natuur aan Christus ontzegden. Zo toont de kerkvader aan dat de Arianen feitelijk navolgers zijn van de Joden in hun niet willen buigen voor de Christus zoals Hij is, en dat ze daardoor feitelijk niet tot de Kerk behoren zoals de Joden niet tot de kerk behoren! De Kerk als volk van God is alleen daar waar Christus wordt gekend en gediend als Zoon van God. De Arianen zijn voor de Alexandrijn ‘de Joden van tegenwoordig’.
Bouter in Athanasius’ voetspoor
Hoe beoordeelt dr.Bouter de visie van zijn ‘held’ op het punt van de verhouding tussen Israël en de Kerk? Het is duidelijk dat hij er grote sympathie voor heeft en er vrijwel kritiekloos mee instemt. Zo beklemtoont hij dat er bij Athanasius geen sprake is van ‘het verschijnsel dat in onze tijd antisemitisme heet’, omdat deze geen afwijzing van Israël naar haar etnische hoedanigheid kent en ook geen enkele aanleiding geeft tot vervolging van de Joden. Hij ziet Athanasius in zijn positiekeuze ten opzichte van Israël geheel in de lijn van het N.T. staan. In het boek Handelingen zien we immers dat aan de Joden wel het eerst het evangelie wordt gebracht, maar op hun afwijzing gaat het naar de heidenen die het in ruimer getal aannemen en samen met de gelovige Joden de ene gemeente van Christus vormen. Paulus en Petrus brengen allerlei eretitels die onder het O.T. voor Israël golden op de christelijke Kerk over. Samenvattend: “Het N.T. laat zien hoe de verschijning van Christus de vervulling is van het O.T. en dat Israël door haar verwerping van Christus haar erepositie als unieke volk van God is kwijtgeraakt en dat in Christus het ene, ware volk van God te vinden is, bestaande uit de Joden en de heidenen die zich tot Christus hebben bekeerd” (303).
In zijn verdere evaluatie van Athanasius’ christelijke psalmexegese (349–361) voert Bouter een pleidooi voor het goed recht van de christologische uitleg van de Psalmen als aansluitend bij de in het Psalter aanwezige eschatologische verwachting. Athanasius staat volgens Bouter in zijn psalmuitleg wat dit betreft in een continue lijn met de in het N.T. gewezen weg. “De christelijke Kerk kan in haar kennis en erkenning van Christus als opgestane en verhoogde Heere niet anders dan in Hem de verwerkelijking zien van deze eschatologische verwachting” (357). In verband met de verwerkelijking van Gods heilsplan in Christus zijn de Psalmen als blijvende schat van het volk van God door het prisma van Christus’ opstanding de liederen van de kerk geworden. “De Psalmen worden in hun vervulling gezongen door het volk van God in haar vervulling, dat wil zeggen: in haar omvatten van alle aan Christus verbonden gelovigen uit Israël en de volkeren.”(359).
Op blz.360 brengt Bouter een eigen nuancering aan die niet zonder betekenis is. Er is namelijk in de overgang van het oude naar het nieuwe volk van God toch een constante gebleven. Daarbij moeten we denken aan de bij de profeten voorkomende gedachte van ‘het overblijfsel’ van het volk.Als Christus verschijnt, blijkt deze ‘rest’ een trouw deel van Israël te zijn, waarvan de discipelen de kern vormen. Zij worden na Pinksteren uitgebreid met vele anderen uit Israël. En aan deze gemeente worden later de heidenen toegevoegd en in die zin in Israël ingelijfd. Niet bij Israël in het algemeen dus, maar bij het Israël dat de Zoon des mensen heeft erkend. Deze gedachte wordt door Paulus ‘verbeeld’ in Rom.11:17-21. De gelovigen uit de heidenen zijn als takken ingebracht tezamen met de ‘van nature’ reeds aanwezige Joodse takken. Paulus zag zich niet als buiten Israël, maar als buiten het Judaïsme. En zo vormen de gelovige heidenen en de gelovige Israëlieten tezamen het ene, ware Israël, die de Kerk genoemd wordt. “Zo wordt duidelijk dat het niet zozeer gaat om een ‘vervangingsgedachte’, maar veeleer om een ‘vervullings-‘ en ‘verbredingsgedachte’. Hierbij slaat vervulling en verbreding op de eschatologische verwachting die in Christus verwerkelijkt is en als heil tot alle volkeren is gekomen….Dit betekent wel het einde van Israëls nationale verkie/zing onder de volkeren wat betreft het heil zoals dat zichtbaar was in de Mozaïsche wetsdienst…Daarom kan over het historische Israël niet meer gesproken worden als volk van God in de zin zoals dat vòòr de komst van Christus gebeurde”(160/161).
Het laatste woord over deze kwestie staat wat dr.Bouter betreft in noot 57 op blz.361. “Het N.T. spreekt weinig in expliciete zin over de positie van ‘het ontrouwe deel van Israël’ na Pinksteren. Het is vooral, en vrijwel uitsluitend, Paulus die daarover schrijft. Zo omschrijft hij hen in Rom.11:28 als ‘beminden naar de verkiezing om der vaderen wil’, maar tevens als ‘vijanden aangaande het Evangelie’. Hiermee verklaart Paulus hun bestaan als een dubbelheid: eer bij God vanuit het verleden en afval van God in het heden.”
Vragen aan Bouter
Ten besluite van dit artikel wil ik graag een aantal kritische vragen richten aan het adres van dr.Bouter[2]. De wetenschappelijke waarde van zijn weergave van de gedachten van Athanasius staat buiten kijf. Het is een goede zaak dat de kennis van het werk van de kerkvader door het verschijnen van dit proefschrift is verrijkt. Ik waardeer verder zijn nadruk op de christologische strekking alsook de blijvende actualiteit van de Psalmen. Met hem kan ik instemmen dat het juist in onze tijd opnieuw nodig is om in het voetspoor van de kerkvaders de beslissende betekenis van Christus in de heilsgeschiedenis te onderstrepen. Tenslotte ben ik het ook met hem eens dat het van groot belang is op een zuivere en goed doordachte wijze te spreken over de verhouding van Kerk en Joodse volk. Maar hier zetten dan ook meteen mijn vragen in. Ik heb het als teleurstellend ervaren dat Bouter in zijn evaluatie van de visie van Athanasius zo weinig blijk geeft van openheid voor de vruchten van de hernieuwde bezinning op de plaats van Israël in het heilshandelen van God, zoals die ook binnen de gereformeerde gezindte heeft plaatsgevonden (denk ondermeer aan het werk van dr.S.Gerssen, van het Bezinningscomité Israël, van dr.C.Graafland alsook aan de bezinning in de breedte van de kerken rond de formuleringen in de Kerkordes). Er is dankzij deze bezinning helderder zicht gekomen op de tot in de wortel rakende verbondenheid van de gemeente met het volk uit Abraham gesproten, een verbondenheid die zo ver gaat dat de kerk ‘zonder Israël niet volgroeid’ kan zijn[3]. Vanuit deze teleurstelling wil ik aan collega Bouter graag in christelijke verbondenheid de volgende vragen voorleggen in de hoop en verwachting dat hij daarop in wil gaan en dat we zo tot een positieve en constructieve gedachtewisseling kunnen komen.
- U beschrijft de contextuële bepaaldheid van de visie van Athanasius op de Joden van zijn tijd, waardoor hij deze zag in het perspectief van zijn Ariaanse tegenstanders. Moet dan ook niet veel duidelijker dan in het proefschrift het geval is, uitkomen dat wij als 21e eeuwse christenen in onze contextualiteit niet zomaar even op Athanasius kunnen teruggrijpen alsof bijvoorbeeld uitspraken over de Joden als collectief schuldigen aan de kruisdood van Christus niet een verschrikkelijke ‘Wirkungsgeschichte’ hebben gehad in een eeuwenlange catechese der verguizing en in allerlei vormen van antisemitisme? Het gaat er dus niet om of bijvoorbeeld Athanasius zijn uitspraken anti-joods heeft bedoeld, maar om de objectief te constateren historische gevolgen van deze en dergelijke uitspraken. Maar ook positief: kunnen en mogen we toch niet doen alsof er niets gebeurd is in Gods wonderlijke weg met zijn oude verbondsvolk door afgronddiepten heen tot op de dag van vandaag met – in alle aangevochtenheid – de staat Israël in het vanouds beloofde land? Daarmee is toch door de voorzienigheid Gods een situatie geschapen die Athanasius niet voor mogelijk had gehouden en waarop wij als christenen vandaag een antwoord dienen te geven?
- Wordt in de boven geciteerde voetnoot 57 geen vertekening gegeven van Paulus’ spreken in Romeinen 9 –11? Het is toch niet zo dat het positieve wat de apostel schrijft tot een voorgoed voltooid verleden beperkt blijft? De geweldige spanning van zijn betoog ligt juist daarin dat het etnische Israël tegelijkertijd bemind is vanuit Gods onberouwelijke verkiezing en vijand omwille van het verworpen Evangelie? Het verbond van God met het natuurlijk nageslacht van Abraham is toch ook na en ondanks de diep ingrijpende cesuur van de verwerping van Christus eeuwig en onverbrekelijk (Rom.11:1,25,28)? Is het in het licht van de bekende hoofdstukken uit de brief aan de Romeinen niet een kwestie van hoogmoed wanneer we stellen dat de Kerk in de plaats is gekomen van Israël als volk van God? Het gaat er niet om dat aan het joodse volk een status wordt toegekend die het buiten Christus niet hebben kan, namelijk op ongebroken wijze verbondsvolk van God te zijn. Dat zou inderdaad veel te massief klinken en rieken naar een twee-wegenleer. Maar het gaat erom dat de HERE de God van het verbond is die ondanks alles dat verbond met Israël nooit heeft opgezegd. Niet buiten Christus, maar juist in en door Christus zullen de vele beloften die de Bijbel bevat over de heilrijke toekomst van het volk Israël ja en amen blijken te zijn[4].
- Herkent u zich in het koninkrijksverlangen dat de apostelen in Handelingen 1 tot uitdrukking brengen en dat gefocust is op de wederoprichting van het koninkrijk Gods aan Israël? Christus wijst dat verlangen niet af, maar corrigeert het slechts. Herkent u niet de diepe smart van Paulus over de huidige ongelovige situatie van zijn volk Israël? Daarin was toch geen sprake van berusting in een nu eenmaal gegeven situatie en nog minder van een leerstellig dichttimmeren van het geheim van de tijdelijke verharding van het Joodse volk?
- Waarom onderschrijft u niet de op exegetische gronden gefundeerde kritiek op de gedachte dat ‘de Joden’ of ‘het Joodse volk’ als collectivum de Christus verworpen zou(den) hebben? Het is toch algemeen aanvaard dat de evangelist met ‘de Joden’ de geestelijke leiders bedoelt en dat de evangelisten het conflict rond Jezus als een intern Joods conflict schilderen, waarbij trouwens door hen in tegenstelling tot Athanasius de kwalijke rol van de Romeinse autoriteit bepaald niet verdoezeld wordt!
- Bent u het niet met mij eens dat de ook door u aanvaarde gedachte van het overblijfsel als ‘rest’ teken is van de blijvende en principiële continuïteit van Gods verbond met Israël die ook midden in de gebrokenheid blijft bestaan? En dat daarmee de idee van vervanging van ‘het oude volk’ door ‘het nieuwe volk’ fundamenteel is weerlegd?
- Wat doet u met het bijbelse gegeven uit Efeze 2:19,22; 3:6 dat we als christenen uit de gojim ‘mede-erfgenamen’ zijn van Israël? Wat betekent dat bijvoorbeeld voor onze uitleg van de Psalmen, die we wel mogen delen met Israël, maar niet mogen stelen van Israël?
- Wanneer naar uw eigen zeggen de christologische interpretatie van de Psalmen in het verlengde ligt van de eschatologische verwachting in deze liederen van Israël, moet dan niet voluit verdisconteerd worden dat Jezus de Messias van Israël is en dat Hij door bijvoorbeeld Maria, Zacharias en Simeon bezongen wordt als Degene die de profetische beloften komt vervullen aan Israël? Met andere woorden: dan moet toch ook de christologie worden ingekleurd vanuit de heel concrete, op Sion geconcentreerde verwachting? Dat wil dan toch zeggen dat exclusieve vergeestelijking, spiritualisering van de oudtestamentische beloften in Psalmen en profeten uitgesloten is? Dan is Christus toch allereerst het Verbond des volks en pas in tweede instantie het Licht der heidenen – en dan geldt die volgorde ten principale, ongeacht de afwijzende houding van het gros van de Joden tot op heden. En vanuit dit zicht op Wie Christus is, was het voor de apostel Paulus onmogelijk te denken dat de specifieke plaats van zijn volk als de oudste broeder in Gods huisgezin ooit zou worden opgeheven. Zijn eschatologische verwachting voor Israël berustte niet op een bijzondere openbaring van God, maar op een bijzonder inzicht in Gods openbaring![5]
[1] Een eerste aanzet tot fundamentele discussie tussen drs.M. van Campen en dr.Bouter in het blad de Waarheidsvriend, jaargang 89 (2001), 721-723;749-750 kwam helaas niet verder dan een stevige confrontatie.
[2] Eerder reageerde ik op het proefschrift in Theologia Reformata,44 (2001), 254v.
[3] Fundamenten en perspectieven van belijden – proeve van beschrijving, ‘s – Gravenhage 1949, 37,38 (artikel 17): “ De gemeente van Jezus Christus is niet volgroeid, noch is het Koninkrijk Gods tot volle openbaring gekomen, zolang niet Israël, op de tijd en wijze bij God bekend, tot zijn Messias is teruggebracht, opdat Israël en de volkerenwereld beide de vrije genade leren bekennen van Hem, die allen onder de ongehoorzaamheid heeft besloten, om hun allen barmhartig te zijn.” Vgl. H.Vreekamp, Zonder Israël niet volgroeid. Visie op de verhouding tussen kerk en joodse volk van hervormde zijde,Kampen 1988.
[4] . Terecht schreef de heer J.Vlot in het Reformatorisch Dagblad van 28.06.01: “Het is volkomen waar dat Israël wat zijn praktische positie betreft nog steeds Lo-Ammi, niet Mijn volk, is, zoals de jongste zoon uit de gelijkenis in het vergelegen land. Maar de vader hield daarmee toch niet op vader te zijn?…Als Israëls geloof de maatstaf was voor het al of niet Gods verbondsvolk zijn, dan is Israël nooit Gods volk geweest, want het is nooit een bekeerd en gelovig volk geweest…Het is wel waar dat de kerk het nieuwtestamentische volk van God is, maar daarmee is het nog niet het nieuwtestamentische Israël….Israëls verkiezing is een in Gods Woord geopenbaarde waarheid, ook al zijn zij tot op de huidige dag vijanden aangaande het Evangelie (om uwentwil), aangaande de verkiezing zijn zij de beminden om der vaderen wil. Wij krijgen door geloof in Christus deel aan het nieuwe verbond, maar de Jood is van nature een kind des verbonds (Handelingen 3:25) en komt krachtens Gods verbond met Abraham tot het geloof in Christus, Lukas 19:9.”
[5] . Zo terecht G.C. Berkouwer, De wederkomst van Christus II, Kampen 1963, 110-153. Het gaat niet om een plotselinge, incidentele, fragmentarische reportage aangaande Israëls toekomst (132, curs. GCB), maar om een gelovig denken vanuit de onberouwelijkheid van Gods roeping en genadegaven.