Graag wil ik op verzoek van de redaktie van ‘Israël en de Kerk’ reageren op het artikel dat dr.Hoek heeft geschreven n.a.v. mijn proefschrift. Dat proefschrift gaat overigens slechts voor een beperkt gedeelte over de verhouding van Israël en de Kerk. Het allergrootste deel is gewijd aan de uitleg die Athanasius geeft van de Psalmen. Tegelijk heeft juist dat gedeelte over Israël in enkele tijdschriften veel aandacht gekregen. Dat is op zichzelf goed, want daardoor krijgen de kerkvaders wellicht meer kans om bij dit onderwerp een serieuze gesprekpartner te worden. Zoals bij elk onderdeel van de geloofsleer brengen de inzichten van de kerkvaders eigenlijk altijd verdieping en verrijking teweeg. Ook rondom Israël kunnen ze ons m.i. veel bieden.
In de eerste helft van zijn artikel geeft ds. Hoek een heldere en goede samenvatting van de visie van Athanasius en mijn eigen aanvulling daarop zoals die in het proefschrift te vinden zijn. Vervolgens brengt hij enkele belangrijke vragen naar voren die ons in staat stellen ons nadenken over de verhouding Kerk en Israël te preciseren. Het lijkt me voor de helderheid het beste om maar de vragen van dr. Hoek langs te lopen. Iemand kan dan eenvoudig de beide artikelen naast elkaar gebruiken.
1.Dr.Hoek wijst eerst op de eeuwen die liggen tussen Athanasius en ons. Daarin is zoveel gebeurd. Negatief: de perioden met uitbrekend antisemitisme, culminerend in de Holocaust binnen het Nazi-rijk van Hitler. Positief: de stichting van de staat Israël. Hoek geeft aan dat wij die historische feiten moeten betrekken in ons spreken over Israël. Naar zijn mening kunnen we dan ook niet de uitspraken van Athanasius direct overnemen in onze tijd. Ik geef Hoek in deze opmerking gelijk. Bij Athanasius was zijn spreken over de Joden (en hun verwerping) los van antisemitisme. Na vooral de gebeurtenissen van de Tweede Wereldoorlog is het veel moeilijker om de positie van Israël aan te duiden zonder de indruk en sfeer van antisemitisme op te roepen. Het vergt wijsheid en inzicht om het niet bedoelde ook niet zo in het openbaar over te laten komen. Want antisemitisme is een werk van de boze en ten diepste verzet tegen God. Wie dan ook in onze tijd in de lijn van Athanasius (en naar ik meen van het Nieuwe Testament) wil spreken, moet het zo doen dat overduidelijk elke vorm van antisemitisme van harte en krachtig afgewezen wordt. Terecht legt Hoek hierbij de vinger.
Omgekeerd zou ik op twee gevaren van de andere kant willen wijzen. Ten eerste dat niet het hedendaagse aanvoelen van antisemitisme mag worden teruggeprojecteerd in de kerkvaders, zoals soms gedaan wordt. Al het spreken van de kerkvaders over Israël wordt dan al snel ‘Jodenhaat’ en ‘antisemitisme’. Dat is groot onrecht tegenover de kerkvaders en zal onbedoeld de rijkdom van de kerkvaders voor menig mens toesluiten, omdat ze in een kwaad daglicht zijn gezet.
Ten tweede moet er voor worden gewaakt om niet uit angst voor antisemitisme de feiten zelf te gaan verzwijgen. De feiten van de gebeurtenissen rond de kruisiging, de houding van de latere rabbijnen, de afwending van het grootste deel van het volk Israël van het Evangelie, het binnengaan van het Evangelie bij de volkeren over de wereld. Dat zijn dramatische gebeurtenissen, inderdaad! Maar het is een onjuist medelijden om vanwege het gevaar van antisemitisme die feiten enigszins te verkleuren. Er is rond Christus’ verschijning in Israël een tragedie gebeurd. Hij werd verworpen, er kwam een breuk, de tempel werd verwoest, een groot deel van het Jodendom verschanste zich tegen het Evangelie, omgekeerd werd onder de volkeren opening voor Christus gevonden. Dit zijn diep ingrijpende gebeurtenissen die een plaats hebben in de heilsgeschiedenissen en die gevolgen hebben tot op de dag van vandaag, wereldwijd! Dat spanningsveld (dat is het, inderdaad!) behoort een beslissende en doordachte plek te hebben in de theologie, mits daarin alle tendens van antisemitisme is afgelegd.
Maar er is meer: er zijn ook positieve gebeurtenissen in de eeuwen tussen Athanasius en ons. Dr. Hoek wijst op de stichting van de staat Israël in 1948. Hij geeft verder niet aan welke waarde hij aan dit feit hecht. Wel geeft hij aan dat we als christenen een antwoord dienen te geven op ‘dit door de voorzienigheid Gods geschapen feit’. Dit is nogal neutraal geformuleerd. Dit lijkt me ook juist. De stichting van de staat Israël is onder Gods bestuur en leiding van de tijden en volkeren gebeurd.
Maar dan komt pas de wezenlijke vraag: welke plaats heeft deze gebeurtenis in Gods leiden van de wereld. Daar valt veel over te zeggen, maar ik zou me willen beperken tot één wezenlijke zaak. Het is opmerkelijk dat het volk is teruggekeerd naar het land, terwijl het religieuze hart van dat land (de tempel, offerdienst, inwoning Gods) afwezig is gebleven. Het is ook onmogelijk te herstellen. We weten dat op de plaats van de tempel een moskee staat. Dus het meest wezenlijk van het beloofde land is onherstelbaar: de dienst der verzoening en de aanwezigheid Gods onder het teken van de wolk in het heiligdom. Als nu het volk mag terugkeren na een bange en lange tocht onder de volken en daarbij in eigen land de kern van de relatie met God geblokkeerd ziet, dan kunnen we over de terugkeer in 1948 twee aspecten noemen: het is aan de ene kant een teken van Gods voorzienige zorg over een volk dat getekend is door lijden. Maar vervolgens heeft het volk door de onmogelijkheid tot tempelherstel van Godswege een permanente heenwijzing naar de geschonden godsrelatie. Het gemis van de tempel toont dat er iets fundamenteel mis is in de verhouding tot God. Deze twee aspecten hebben met elkaar te maken. We kunnen dan denken aan Paulus die zegt: ‘Gods goedertierenheid brengt u tot bekering’. Zo is de geschonken terugkeer in 1948 een uiting van de goede zorg Gods als een roepstem om het volk tot Zich, tot Christus te roepen.
Het lijkt me daarom dat christenen niet al te hard van stapel moeten lopen rond de landbelofte. Het land zij Israël gegund. Maar een christen zal daarbij het teken onderstrepen dat God zelf midden in het teruggekeerde volk heeft gelegd: de tempel is weg, de dienst der verzoening is weg, de relatie met God is geschonden. Een teken dat het volk roept om zich tot Christus te wenden. Op het moment dat het volk zich tot Christus keert is overigens gelijk de tempel niet meer nodig! Een christen zal zich om deze reden ook zeker niet druk maken om een eventuele herbouw van de tempel.
2.Dr.Hoek vraagt zich af: is het geen hoogmoed als de Kerk stelt dat ze in de plaats van Israël is gekomen? Het m.i. enige goede antwoord daarop luidt kort en krachtig: nee! Neem het voorbeeld van een koning. Als die koning beseft boven het volk tot koning te zijn geplaatst, op de troon zit, wetten uitvaardigt. En dat alles ten goede van het volk. Is die koning hoogmoedig? Nee, hoogmoed is dat je trots jezelf verheft en op de ander neerziet. Maar die koning aanvaardt de positie die hij middellijk van God ontvangen heeft. En tracht in die positie God en de naaste te dienen. Welnu, als Christus na Pinksteren zich een gemeente vergadert uit Joden en heidenen en die gemeente vervult Hij met Zijn Geest. Die noemt Hij Zijn lichaam. Die gemeente krijgt de eretitels die Israël in het Oude Testament had (I Petrus 2). Als de Kerk (vanuit de gemeenschap met Christus) weet in de wereld Gods volk te zijn en God te kennen en de hemelse gaven te genieten, is de Kerk dan trots als ze zich het volk van God in de wereld weet? Nee, zeker niet! Dat zou het zijn, als ze zich vol trots en machtsvertoon verheft en laatdunkend neer gaat zien op andere godsdiensten (wat ook inderdaad wel gebeurd is, en wat altijd weer kan gebeuren: maar zondig gebruik heft het ware gebruik niet op!). En net als bij de koning: een koning die uit medelijden met zijn onderdanen zich gaat schamen voor zijn koningschap, niet meer op de troon zit, geen wetten uitvaardigt. Die dient het volk niet, maar brengt het in een chaos. Zo ook als de christenheid haar eer als volk van God niet meer durft te noemen uit medelijden met Israël. Dan dient zij Israël niet, eert Christus niet, maar brengt eerder de Kerk in zwakheid van geloof met alle gevolgen van dien. De Kerk moet in besef van haar grootheid en eer (‘Gij zijt een uitverkoren geslacht, een geroepen volk…) met liefde Israël en de volkeren met het Evangelie en met goede werken dienen. Naar mijn mening is in de huidige tijd juist nodig een eerherstel van de positie en eer van de Kerk in het licht van Christus. Zonder trots die laatdunkend over Israël en anderen spreekt, maar met besef dat de hoge positie in Christus niet uit verkeerd medelijden op de achtergrond geschoven mag worden. Dat heeft ook alles met de eer van Christus te maken: een kerk die haar eer en positie beseft, eert daarmee de reikwijdte en het belang van Christus’ werk. Het omgekeerde kan ieder zelf bedenken en zich voor ogen stellen.
3.Dr.Hoek verwijst naar het Koninkrijksverlangen van Hand.1. De discipelen vragen aan Jezus: ‘Zult Gij in deze tijd het koninkrijk aan Israël weer oprichten?’ Wat is in Handelingen 1 aan de hand? De discipelen stellen hun vraag vanuit een vrij beperkt kader. Ze kunnen nog niet bevroeden wat Christus allemaal zal uitwerken in de wereld. Zij denken aan een hersteld Davidisch rijk in Israël. Maar Christus heeft een veel rijker werk op het oog met Israël en de wereld. Dat komt ons voor ogen als we de kerkgeschiedenis op ons in laten werken. In de loop der jaren en eeuwen erna richt Christus een wereldwijd koninkrijk op, waarbij de Heilige Geest uit alle volkeren mensen deel gaf en geeft aan de zegeningen van David. Zó is het koninkrijk aan Israël opgericht: doordat de grote Zoon van Israël, Christus, wereldwijd onder Joden en heidenen regeert. Wie zal na zo’n intense en rijke vervulling de afgelopen eeuwen door, weer terugkeren naar de beperkte vraag en blik van de discipelen? Het lijkt me dat ieder die de rijkdom van Christus’ werk onder de volkeren in de christenheid op zich in laat werken niet zich wil opsluiten in de o zo beperkte vraag van de discipelen. Het lijkt me dat Petrus die vraag na 20 jaar apostelschap en met ervaren van Christus’ majesteit onder de volken, ook niet meer gesteld zal hebben.
4.Er moet verschil worden gemaakt tussen Joodse volk en Joodse leiders, zo stelt dr. Hoek. Het is heel terecht dat hij hierbij de vinger legt. Inderdaad ging de haat en vervolging vooral uit van de leiders. Niet voor niets kwamen op de Pinksterdag 3000 mensen tot geloof. Later ook in de andere gebieden van Israël. Ik denk dat het een goede aanvulling op Athanasius is om het onderscheid leiders/volk meer plaats te geven.
5.Terecht geeft dr. Hoek aan dat de ‘restgedachte’ voor mij een fundamenteel punt is waarmee ik de inzichten van Athanasius wil aanvullen. Wat houdt die ‘restgedachte’ in? We lezen bij de profeten de gedachte dat God na de ballingschap met het ‘overblijfsel’ zal verdergaan. Inderdaad zien we bij de verschijning van Christus een deel van Israël zich tot Hem keren. De discipelen, maar om hen heen een grote groep mannen en vrouwen. Op deze groep daalt de Heilige Geest neer met Pinksteren. Deze groep wordt uitgebreid met velen uit Israël in de jaren daarna. Deze rest van Israël maakt de overgang mee van het oude verbond naar het nieuwe. En deze rest vormt de continuïteit met het volk Israël van het Oude Testament. In deze rest worden de heidenen later ingelijfd.
Kun je dan nog wel spreken van de vervanging van het oude volk (Israël) door het nieuwe volk (Kerk), vraagt dr. Hoek? Niet als we daarmee suggereren dat na Pinksteren alle Israëlieten zijn buitengesloten en alleen nog heidenen het volk van God uitmaken. Zo is Israël niet afgeschreven. Ook na Pinksteren heeft de Heere alle eeuwen door een rest uit Israël bewaard die in Christus geloven. Wel kan gezegd worden: het volk Israël in het O.T. is vervangen door de ene gemeente van gelovige Joden en heidenen. Deze ene gemeente is de wettige voortzetting van het Israël in het O.T. De Joden die tijdens Jezus’ leven en met Pinksteren tot geloof kwamen vormen de brug, de continuïteit tussen Israël en de Kerk.
Als we zo vanuit de historische gebeurtenissen denken kan gezegd worden: de Kerk (bestaande uit in Christus gelovige joden en heidenen) is de rechtmatige voortzetting, erfgename, vervulling van het oudtestamentische Israël. Het lijkt me dat een grondige bestudering en opening van de gebeurtenissen rondom Christus, Pinksteren en de eeuw daarna niet tot een ander inzicht kunnen brengen. Het is daarbij beter om het woord ‘vervanging’ te laten vallen, omdat daarbij de indruk van totale verwerping wordt gewekt. Dat is, zeker gezien de antisemitische gevaren, niet overbodig. Wellicht kan beter over ‘vervulling’ en ‘verbreding’ worden gesproken. Als maar duidelijk wordt dat de Kerk niet naast Israël erbij is gekomen, maar dat de Kerk haar rechtmatige en wezenlijk voortzetting is onder alle volkeren. In de Kerk is de belofte aan Abraham (in u zullen alle geslachten der aarde gezegend worden) wezenlijk tot vervulling gekomen. De in Christus bijeen geroepen gemeente is het waar de oudtestamentische beloften hun rijke en overvloedige vervulling hebben gevonden. Pas als dit heilshistorische feit helder en duidelijk is, kun je van daaruit je gaan bezinnen over de positie van het volk Israël als geheel zoals dat nu bestaat. De denkrichting is: vanuit het oudtestamentische Israël denken tot op Christus. Vanuit Christus denken over de Kerk; vanuit de kerk denken over het Israël zoals het nu bestaat. Wie begint met het oudtestamentische Israël door te trekken naar het huidige Israël en vervolgens gaat denken over Christus en de kerk, vergist zich diepgaand. Ons denken moet de orde van Gods heilshandelen in de historie volgen tot op deze dag.
6.Dr.Hoek brengt Efeze 2 ter sprake waar Paulus stelt dat de heidenen mede-erfgenamen zijn met de Joden. Volgens Hoek bedoelt Paulus in die passage: de christenheidenen zijn mede-erfgenamen met het Joodse volk als geheel. Dat lijkt me echter een conclusie die niet juist is, al zien we hem wel vaker getrokken worden. Paulus zegt daar helemaal niet dat de heidenen als geheel mede-erfgenamen zijn van geheel Israël als volk. Nee, het gaat daarom de ene gemeente van Jood en heiden. En de heidenen die tot geloof in Christus komen zijn mede-erfgenamen met de Joden die in Christus geloven. Net zo goed als we bij de heidenen in Ef.2 niet denken aan alle heidenen, maar aan de heidenen die door geloof en doop aan Christus zijn toegevoegd, zo moeten we bij Joden niet denken aan het volk als geheel, maar aan de Joden die in Christus geloven. Als we in Ef.2 niet de ene concrete gemeente/kerk bestaande uit christen-Joden en christen-heidenen zien, dan komen we op verkeerd spoor. Dan is een twee-wegenleer feitelijk onvermijdelijk, al wijst dr. Hoek de twee-wegenleer overduidelijk af. Daar is geen misverstand over.
7.De laatste vraag van dr. Hoek richt zich op de uitleg van de Psalmen, en dan vooral welke plaats het huidige Israël in de Psalmen heeft. In mijn proefschrift komt naar voren dat de Psalmen profetisch van karakter zijn: ze richten zich op de komst van de Messias en het aanbreken van de heilstijd. Hoek tekent aan dat de heilsverwachting in het O.T. toch concreet op Sion is gericht en dat daarmee ‘een exclusieve vergeestelijking van de oudtestamentische beloften uitgesloten is. Eerlijk gezegd is me niet helemaal duidelijk wat ik me hierbij moet voorstellen. Immers: Christus is in het concrete Israël gekruisigd en opgewekt. De Heilige Geest is in het concrete Jeruzalem uitgestort. De apostelen zijn vanuit het concrete Jeruzalem uitgegaan in de wereld. Zo is Sion concreet uitgebreid over de wereld als de ene kerk van alle tijden en plaatsen. Dat is geen vergeestelijking, maar diepe, historische, concrete werkelijkheid. Wat zich hier wreekt is m.i. opnieuw een te weinig in de exegese doordenken van de gebeurtenissen rond Christus en de apostelen. Daar heeft zich in de historie een diep ingrijpende zaak voltrokken. Een deel van Israël is in de overgave aan Christus het nieuwe verbond binnengegaan, daarna zijn vele heidenen toegevoegd. Dat is Sion, dat is concreet Gods volk. Wij kunnen nu niet de Psalmen uitleggen alsof die gebeurtenissen er niet zijn geweest en als het ware terugspringen in het O.T. Als we dat doen komen we niet in het O.T. terecht, maar daarnaast. Als we in de Psalmen, die zich vol verlangen wenden tot de heilstijd van de Messias, zingen over Sion: dan behoren we te denken aan de christelijke gemeente in eigen dorp en over de gehele wereld. Die ene gemeente vormt het na Christus en na Pinksteren over de gehele wereld concreet uitgebreide Sion. Wie dan ook een ‘concrete, op Sion gerichte verwachting wil’, die richte zich eerst op de ene heilige, algemene, apostolische kerk.
Als ik de vragen van dr. Hoek op me in laat werken, dan komt een punt er als zeer wezenlijk uit: de jaren rond Christus’ kruisiging, opstanding, uitstorting van de Heilige Geest, intocht van het Evangelie onder de volken. De nauwkeurige doordenking van de gebeurtenissen toen en daar kunnen het inzicht in de gang van het volk van God verduidelijken. Het resultaat van die gebeurtenissen vinden we in de brieven van de apostelen terug, als zij de christelijke gemeente sieren met de titels van het volk van God in het O.T. (I Petrus 2). Wij moeten de gang van God volgen en zo de kerk in haar eer van volk van God, haar ook metterdaad die eer toekennen.